Ingenieurs laat je horen!

In een ranglijst van het maatschappelijk aanzien van beroepen uit 1953  stond de ingenieur op de vijfde plaats achter de hoogleraar, rechter, en atoomgeleerde. In de later ontwikkelde beroepenprestigeladder komen we in 1982 en 2016 de weg- en waterbouwkundig  ingenieur respectievelijk op plaats 12 en 13 tegen; in 2016 verschijnt de werktuigbouwkundig ingenieur op plek 26.  Nemen we hier nu een flinke afname van het beroepsprestige waar? Ik denk van niet. Al zou je je het als (werktuigbouwkundig) ingenieur misschien stiekem kunnen aantrekken dat  ‘beroepsvoetballer’, een beroep dat overigens in 1953 in Nederland nog niet bestond, inmiddels op de 25e plaats qua aanzien staat.

Wat je hier dan wel ziet is dat de latere ranglijst uiting geeft aan toenemende specialisatie. Zo is bij de medische beroepen de arts uit 1953 vervangen door onder meer de chirurg, internist en huisarts – allen nog in hoog aanzien. In toekomstige lijsten zou je dan eigenlijk ook de biomedisch ingenieur, de sportingenieur en de quantumingenieur verwachten, om er maar een paar te noemen. Want onder invloed van toenemende digitalisering en de komst van nieuwe technologieën, uiteenlopend van sensor- tot DNA-technologie, wordt het werk van de ingenieur steeds gespecialiseerder. “Het ingenieursberoep bestaat in feite niet, het is een verzameling van een aantal beroepen”, stelde Harry Lintsen al in 1980 in zijn boek  Ingenieurs in Nederland in de negentiende eeuw.  In de 21e eeuw wordt die verzameling alleen maar groter.

Kijken we naar populariteit, dan kunnen we constateren dat de aantrekkelijkheid van ingenieursstudies alleen maar lijkt toe te nemen; de afgelopen jaren groeiden onze aantallen inschrijvingen en afstudeerders gestaag. Dit terwijl we steeds meer van onze studenten verwachten:  wel bindend studieadvies, geen basisbeurs, sneller afstuderen. Daarbovenop komt dat ze straks als afgestudeerd specialist zullen moeten functioneren in een heel breed speelveld. Infrastructurele projecten bijvoorbeeld zijn veel integraler dan vroeger. Hoe scoort het ontwerp op duurzaamheid, wat brengt het de lokale economie, brengt het geen schade toe aan de ecologie, hoe staat de plaatselijke bevolking ertegenover?

Ingenieurs zitten steeds vaker aan tafel met specialisten uit andere vakgebieden, en met bestuurders en burgers. Ze moeten kunnen samenwerken in multidisciplinaire teams, communicatief vaardig zijn, iets weten van beleid en financiering, nadenken over de ethische aspecten van hun werk en rekening houden met factoren als duurzaamheid, circulariteit en verantwoorde innovatie. Behalve inhoudelijk specialistischer is hun werk dus ook veel complexer geworden.  Daarom proberen we onze studenten zo op te leiden dat ze behalve over diepgaande specialistische kennis ook over brede vaardigheden beschikken. Daarin staan we niet alleen. Een goeie ontwikkeling is de invoering door KIVI van de titels ‘chartered’ en ‘incorporated’ ingenieur, waarmee recht wordt gedaan aan al de competenties en vaardigheden waarover een moderne ingenieur moet beschikken.

‘De ingenieur heeft leren luisteren’ kopt ook het NRC een artikel uit 2016 over de opkomst van de omgevingsmanager bij Rijkswaterstaat. Een mooie ontwikkeling: laten we vooral de wensen en ideeën van buurt en bewoners in acht nemen bij grote projecten. Toch bekruipt me af en toe de vraag, of er omgekeerd nog wel genoeg naar ingenieurs geluisterd wordt. De Deltacommissie die in 1953 de regering adviseerde over maatregelen om herhaling van de watersnoodramp te voorkomen, bestond uit  13 ingenieurs en één econoom. Na de watersnood van 1916 kon ingenieur Cornelis Lely zijn plannen voor de Zuiderzeewerken ten uitvoer brengen; diezelfde Lely had daarnaast een indrukwekkende politieke carrière waarin hij driemaal minister was. Andere tijden, zult u nu misschien denken. Maar is dat wel zo?

De uitdagingen waar we nu als maatschappij voorstaan  zijn minstens zo groot. Denk aan klimaatadaptatie, de energietransitie of de komst van de vierde industriële revolutie. Juist dàt zijn onderwerpen waar de genuanceerde en oplossingsgerichte ingenieurs een stem in het kapittel zouden moeten hebben. Daar zie ik nog een goede rol voor het KIVI weggelegd: laat het KIVI een gremium zijn waar de beroepsgroep van ingenieurs zijn deskundigheid kan etaleren. Laten we wat vaker gevraagd en ongevraagd onze mening geven in het maatschappelijk debat.

Kortom: ingenieurs, laat je horen!

Professor Tim van der Hagen
Rector Magnificus & Voorzitter College van Bestuur Technische Universiteit Delft
Lid hoofdbestuur KIVI

 

Laat ons weten hoe je hierover denkt en laat je commentaar hieronder achter: